Overzicht van de veranderingen van het Japanse zwaard en de zwaardsmeedscholen doorheen de tijd.
Created by SofieCl on 04/12/2010
Last updated: 24/12/10 at 15:08
Toen de Amerikaanse bezetting afgelopen was, werd het verbod om zwaarden te smeden weer opgehoffen. Sommige leden van wat de "verloren generatie" genoemd werd namen hun smeedkunsten weer op. Tegelijkertijd ging ook een nieuwe generatie in de leer. In tegenstelling tot de periode van voor de Amerikaanse bezetting werd nu niet meer aan massa productie gedaan, maar werd er gestreefd naar kwaliteit. Om nu zwaardsmid te kunnen worden is een lecentie nodig, en daarvoor moet men eerst 5 jaar in de leer geweest zijn bij een gelicentieerde zwaardsmid. Ook mogen slechts 2 zwaarden per maand gemaakt worden, en moeten al deze zwaarden geregistreerd worden.
Tijdens de bezetting van de Amerikanen na WOII, was het verboden om zwaarden te smeden. Veel zwaarden werden in beslag genomen en vernietigd of als souvenier meegenomen naar Amerika. Zwaardsmeden waren genoodzaakt ander werk te zoeken, en het japanse zwaard werd met uitsterven bedreigd.
De Samurai klasse wordt officieel ontbonden en alle burgers worden verboden nog zwaarden te dragen. Dit betekend het de doodsteek voor de wapensmeden. Niet alle Samurai waren hier blij mee, wat leidde tot de Satsuma rebellie die gewelddadig de kop werd ingedrukt
Gendaito zijn zwaarden gemaakt na de Meiji-restauratie. In eerste instantie werden ze gemaakt voor de officiers in het keizerlijke leger. Het ging toen vooral om massaproductie, en zwaarden van heel lage kwaliteit, soms zelfs gewoon uit gietijzer. Later, na het einde van de Amerikaanse bezetting, werd massaproductie verboden en waren de zwaarden weer van betere kwaliteit.
Eind 18de/begin 19de eeuw kwamen de Shinshinto tot stand. Er werd geexperimenteerd met nieuwe smeedtechnieken en de 5 scholen kwamen in een periode van heropleving.
Tokugawa stelde de Iganokami familie aan als "hoofd van de zwaardsmeden" en had het recht een certificaat van competentie uit te geven aan andere smeden, waarvoor een vergoeding gevraagd werd. De smeden konden met die certificaten zelf ook een hogere prijs instellen voor de zwaarden die zij produceerden. De smeden waren echter heel arm, en menig maakte zich schuldig aan de verkoop van zwaarden van minderwaardige kwaliteit aan de prijs van een gecertificeerd zwaard. Smeden die weigerden hieraan mee te doen, eindigden vroeg of laat met een faillissement.
In 1588 kondigde Toyotomi Hideyoshi het decreet van het verbod op zwaarddracht voor boeren af.
De dracht van twee zwaarden. Een groot zwaard, de katana (60 - 80 cm), en een klein zwaard, de wakizashi (45- 50 cm). Vanaf dit moment werd het dragen van een zwaard ook exclusief voorbehouden voor de samurai klasse, wat zo bleef tot de afschaffing van de zwaarddracht in de 19de eeuw.
Zwaarden gesmeden in de periode van 1568 tot 1780 worden Shinto (nieuwe) zwaarden genoemd. De Hamon werd opvallender dan in de tijd van de Koto zwaarden. Er werden andere mineralen en smeedtechnieken gebruikt, waardoor men soms van een 'zesde school' spreekt: de Shinto school.
Vanaf 1560 nam de populariteit van de westerse vuurwapens toe, ten koste van de zwaarden. Vuurwapens werden meer en meer gebruikt tijdens gevechten, wat ook de gebruikte technieken op het slagveld beïnvloedde.
De eerste westerse vuurwapens werden in Japan geïntroduceerd door de Portugezen. Hun schip werd weggevoerd van aan de Chinese kust tot Okinawa.
Continue Oorlogen tussen feodale heren deden de vraag naar zwaarden stijgen, waardoor smeden ze in grote aantalen maakte doorheen Japan. De smeedkunst in Kyoto kwam hier tot bloei door een groote schenking van de Ashikaga shoguns
De Uchigatana is een klein zwaard van rond de 60 cm dat gebruikt werd om in gebouwen mee te vechten. De Tachi waren daar namelijk te groot voor...
De Muromachi-periode was een periode van grote onrust en veel gevechten in Japan. Dit leidde tot een grote vraag naar zwaarden, wat op zich weer leidde tot massaproductie. Hierdoor daalde de kwaliteit van de zwaarden sterk.
Door de aanhoudende oorlog tussen het Noorden en het Zuiden van Japan, steeg nogmaals het belang van de zwaarden. Omdat voetsoldaten terug belangrijk waren, moest er een lang zwaard komen, een dat met 2 handen gehanteerd moest worden. Hieruit vloeiden de Odachi en de Nodachi, die tussen 120cm en 150cm lang waren. De zwaarden die langer waren dan 2 meter hadden een puur ceremoniële functie. In deze periode zijn ook de Vijf Scholen of Vijf Tradities (Gokaden) ontstaan, genoemd naar de provincies waarin ze liggen: - Soshu school van Kamakura - Bizen school van de Okayama prefectuur - Yamashiro school van Kyoto - Yamato school van Nara - Mino school van de Gifu prefectuur Tegenwoordig zijn de meeste zwaarden afkomstig uit één van deze vijf scholen.
Door de verbeterde smeedtechnieken werden de zwaarden beter van kwaliteit en vooral sterker. De Tachi werden dikker, breder, zwaarder en krijgen een langer handvat (Tsuka), zodat ze nu met twee handen gehanteerd konden worden om meer kracht uit te oefenen.
Na nog een afgewezen voorstel van de Mongolen om Japan te onderwerpen, begonnen de Mongolen aan een tweede invasie. Deze keer hadden ze een veel groter leger verzameld, bestaande uit twee delen. De vloot die vertrokken was vanuit Korea besloot niet te wachten op het deel afkomstig uit China, en kwamen aan in de Hakata haven op 21 juni 1282. De samurai beletten echter dat de Mongolen voet aan wal konden zetten, en overvielen ze 's nacht in hun boot. De vloot vertrok daarom naar het eiland Tsushima om daar te wachten op het tweede deel van het leger. Op 12 augustus vas het herenigde leger klaar om Japan opnieuw aan te vallen. Ze maakten oorspronkelijk grote vorderingen, tot er een zware storm opstak (Kamikaze, de godelijke wind) die een groot deel van de vloot vernietigde en hen dwong de strijd te staken.
De invasie's van de Mongolen had een grote invloed op de vorming van het zwaard. De Kodachi is een kortzwaard, dat gebruikt werd in close combat gevechten. Ook kon de Kodachi gebruikt worden in combinatie met andere zwaarden. Dan werd de Kodachi in het linkerhand gehouden, en de Tachi in het rechterhand.
Toen Japan het voorstel van de Mongoolse leider Kublai Khan, om een vazalstaat van het Mongoolse rijk te worden, afwees, besloot Khan om het Japanse eiland binnen te vallen. Op 19 november 1274 landen de Mongolen in de haven van Hakata, aan de kust van Kyūshū. De Mongolen hadden echter wapens en technieken (onder andere het gebruik van explosieven om de Japanse troepen op afstand te houden) die de samurai niet gewoon waren, en waren dan ook geen partij voor de Mongolen. De invasie werd echter bemoeilijkt en uiteindelijk afgeblazen door gebrek aan proviand en rebellie in het Mongoolse leger. Na een zware storm, die één derde van de schepen vernieitigde, waren de Mongolen verplicht zich terug te trekken.
Het typische Kamakura zwaard bestond uit één koolstofhoudende stuk staal en was breder dan voorheen, waarbij er weinig verschil was tussen de breedte van de top en bodem van het zwaard. Een zacht stuk (koolstof-arm) staal werd in de mantel van het zwaard gesmeden, wat het zwaard veerkrachtiger maakte. Hierdoor was het zwaard beter bestand tegen zware klappen. Door de 2 Mongoolse invasies werden zwakke punten van de zwaarden aan het licht gebracht (bv een makkelijk te breken punt die niet te repareren was). Die bevindingen beïnvloedden het ontwerp van latere zwaarden.
Het zwaard werd meer gebogen, langer en lichter. Dit omdat het voornamelijk gebruikt werd door ruiters. De gebogen vorm zorgde ervoor dat het effect van de zwaai versterkt werd, en maakte het ook makkelijker voor de ruiter om het zwaard uit zijn schede (saya) te halen. De zwaarden werden langer zodat de ruiters vanop hun paard ook aanvallen konden uitvoeren op de infanterie. De gemiddelde lengte van een Tachi bedraagt 91.5 cm. Doordat ze lichter waren konden ze nu ook met 1 hand gehanteerd worden. De Hamon van het zwaard werd breder, en de Ashi doet zijn intrede.
Kyoto werd de hoofdstad van Japan, met nieuwe invloeden tot gevolg. Zo werd onder andere de staal-smeedtechniek verbeterd. Gedurende deze periode werd het smeden verbonden aan de heiligdommen en tempels, zij hadden het exclusief recht op de vervaardiging van zwaarden. Deze moesten wel aan bepaalde religieuze verplichtingen voldoen en werden ook gebruikt bij de uitvoering van relegieuze cermoniën. In deze tijd floreerden de krijgsmonniken, en kwam de band tussen religie en zwaardsmeedkunst tot ontwikkeling.
Deze periode loopt vanaf de Heian-periode tot en met de Muramachi-periode. Zwaarden die in deze tijdspanne vervaardigd werden vallen onder de noemer Koto, ook wel vroege zwaarden genoemd.
Nara werd de hoofdstad van Japan. Zowel het zwaard als de smeedtechnieken waren nog zeer primitief. Door de nood aan een beter bewapend leger, kwam de vraag naar een verbeterd zwaard, wat smeden de mogelijkheden gaf om aan de kwaliteit van hun smeedkunsten te werken.
Jōkotō zijn rechte zwaarden zonder curve, die een- of dubbelzijdig waren met een lengte tussen 60 en 120 cm. Oorspronkelijk waren ze afkomstig van het Aziatisch vasteland (voornamelijk China en Korea) en werden tijdens de Yayoi-periode naar Japan overgebracht. Ze waren vervaardigd volgens de hira-zukuri stijl of kiriha-zukuri stijl (vormen van het blad), wat ze duidelijk onderscheidt van de tachi en katana, waarbij deze stijlen slechts zelden voorkomt. De eerste zwaarden waren echter zo dun, dat ze waarschijnlijk enkel een ceremoniële functie hadden. Later werden echter nieuwe zwaarden gevormd, grotere en stevigere versies van de eerste, welke wel als wapen gebruikt werden. Het zeldzame aan deze zwaarden is dat ze met een hakbeweging werden gehanteerd, in tegenstelling tot latere zwaarden waarbij voornamelijk snijbewegingen gemaakt werden.
De oudste bekende zwaarden in Japan zijn de 2 die waren geschonken aan de koningin Himeko tijdens de Wei-dynastie in 240
Vele zwaarden en speren werden vanuit China ingevoerd, maar vervulden enkel een ceremoniële functie. Deze werden achteraf hersmeden tot grotere zwaarden, klokken, ... Deze nieuwe voorwerpen bleven echter een ceremoniële functie behouden. In Japan bestond ijzer en brons naast elkaar, die beiden gebruikt werden om verschillende (landbouw)werktuigen te creëren. Er is dus vanaf deze periode spraken van smeedkunst in Japan.

