Recent Event Highlights: Premier Yukio Hatoyama (由紀夫鳩山), Algemene verkiezingen, Premier Fukuda Yasuo(福田康夫), Premier Mori Yoshirō (森善朗), Algemene Verkiezingen, Oprichting Nieuwe Partij (Shinshin-tō 新進党), and 40 more...
Created by dipity on Dec 16, 2009
Last updated: 03/28/10 at 05:25 PM
DPJ leider Yukio Hatoyama werd benoemd tot de nieuwe premier van Japan.
Na 54 jaar bijna onafgebroken aan de macht te zijn geweest, verliest de LDP zijn meerderheid en komt de DPJ in de coalitie.
Taro Aso in functie van premier. Organiseert geruime tijd geen algemene verkiezingen omdat hij vindt dat eerst de economische crisis moet worden aangepakt. Onder druk stemt hij uiteindelijk toch toe met nieuwe verkiezingen.
Koizumi Jun’ichirou is heel populair maar er is kritiek op zijn veiligheidsbeleid ("Japanse strijdkrachten zijn meer dan alleen maar defensieve opdracht") en zijn bezoeken aan het Yasukuni schrijn zorgden voor spanningen met de Chinese Volksrepubliek en Zuid-Korea. In de Tweede kabinetsperiode concentreerde hij zich op de post, om deze te privatiseren.
Mori kondigt zijn ontslag aan, want hij was heel onpopulair vanwege zijn herhaaldelijke blunders.
Hij verloor de meerderheid tijdens verkiezingen en was genoodzaakt een coalitie met 2 kleinere partijen te vormen.
Obuchi Keizō zorgde voor een uitbreiding van de militaire samenwerking met de Verenigde Staten, wettelijke bescherming in 1999 van omstreden staatssymbolen zoals de vlag en het volkslied en de sanering van het bankwezen en instelling van economische hervorming. Op 2 april 2000 kreeg hij een beroerte.
Door economische recessie daalde populariteit en incasseerde de LDP een verkiezingsnederlaag.
De Nieuwe Partij (Shinshin-tō 新進党) bestaat uit de Shinsei-tō, de Japan New Party, de Kōmei-tō en de Democratisch-Socialistische Partij.
De LDP had geen verkiezingsmeerderheid, maar Hashimoto kwam aan het hoofd door gebrek aan coalitiepartners.
In 1995 wordt de regering geconfronteerd met een verwoestende aardbeving in Kōbe en een terroristische aanval door AUM Shinrikyō in het metrostation van Tokyo. In dat zelfde jaar nam het Lagerhuis een resolutie aan waarin diepe spijt wordt uitgedrukt voor de Japanse daden van de agressie tijdens de Tweede Wereldoorlog. In 1996 wordt Murayama ontslagen wegens verkiezingsnederlagen.
Hata Tsutomu volgt Hosokawa op, maar regeert slechts twee maanden.
De LDP verloor van een coalitie van oppositiepartijen. Voor het eerst in 38 jaar werd LDP niet verkozen.
Hosokawa, voorzitter van de Japan New Party, wordt de nieuwe premier. Er ontstaat een zespartijencoalitieregering met de Japan New Party, de New Life Party, de Socialistische Partij van Japan, de Democratische Socialistische Partij, de kōmei-tō en de New Party Sakigake (shin-tō sakigake 新党さきがけ). Hosokawa realiseert beperkingen op campagnebijdragen en een wijziging van het Japanse verkiezingssysteem. In 1994 moet Hosokawa aftreden door verdeeldheid over belastinghervorming en beschuldigingen van betrokkenheid bij de schandalen tijdens het Miyazawa-bewind.
Deze partij stond onder leiding van Ozawa Ichirou (小沢一郎).
Eerst is er een politiek schandaal. Miyazawa probeerde het goed te maken door een hervormingswetgeving aan het parlement voor te leggen, maar hij kreeg een motie van wantrouwen.
Eind 1991 moest hij aftreden toen zijn voorstellen om te voorzien in een wetgeving die Japanse niet-strijdende deelname aan de vredesmissies van de Verenigde Staten mogelijk moest maken en om anti- corruptiemaatregelen te treffen, geen Kamermeerderheid haalden.
De LDP verliest de meerderheid in het Hogerhuis aan een coalitie van oppositiepartijen, onder leiding van de socialisten. Doi Takako (土井たか子 )wordt genomineerd voor premierschap, maar dit wordt verworpen door het Lagerhuis.
Hij moest aftreden wegens een seksschandaal.
Hij moest aftreden wegens betrokkenheid in een schandaal van manipulatie van de effectenbeurs.
Hij moest aftreden omwille van het voorstel omtrent belastingenhervorming en zijn tamme houding ten opzichte van de Verenigde Staten. Men wilde een grotere defensie-inspanning en vermindering van export.
Fukuda voerde een waardevermindering van de Yen door en hanteerde een agressief exportbeleid. In augustus 1978 tekent hij het Japans-Chinese Vredes- en Vriendschapsverdrag.
Miki Takeo had niet veel steun: hij moest het Lockheedschandaal oplossen en de brokstukken lijmen vanwege de oliecrisis en het mislukte economische beleid van Tanaka. In 1976 moest hij aftreden wegens kritiek op zijn beleid: hij versoepelde de anti- monopoliewetgeving, er was een incident met Zuid-Korea en hij onderhandelde over het vredesverdrag met China.
Tanaka Kakuei normaliseerde de relaties met China en sloot Gemeenschappelijk Chinees-Japanse Verklaring (Ni-Chuu Kyoudou Seimei 日中共同声明) af. Hij voerde bovendien een economisch beleid op lange termijn: dit moest zorgen voor een algemene verbetering van de welvaart en het milieu. In 1974 werd Tanaka tot aftreden gedwongen vanwege het Lockheedschandaal.
Onder zijn bewind werd er in 1965 een definitief vredesverdrag met Korea gesloten, genaamd ‘Basisverdrag tussen Korea en Japan’. In 1969 heeft de eerste minister een overeenkomst gesloten met president Nixon over de teruggave van Okinawa aan Japan in 1972. In 1970 verlengde Satō het Veiligheidsverdrag met de Verenigde Staten. Satō moest onder druk aftreden in 1972. Hij zou in ruil voor de teruggave van Okinawa beloftes hebben gedaan aan Amerika. Zo zouden de Amerikaanse basissen niet worden ontmanteld, ze moesten geen beloftes maken over het niet opslaan van kernwapens en het is mogelijk dat zij zelfs de toestemming hebben gekregen dat ze kernwapens mochten transporteren over het hele land.
Deze partij is ontstaan uit de Souka Gakkai (創価学会). Deze beweging wil de moderne vertaling van de boeddhistische leer van Nichiren zijn. Zij halen vooral veel aanhang van de groep van de socialisten.
Ikeda Hayato streefde naar een vlotte samenwerking met de Verenigde Staten, hij bracht een verbetering van de relatie met Korea tot stand en liet de handel met China bloeien. Hij maakte zich op binnenlands vlak heel populair met het ‘plan tot verdubbeling van het inkomen’. In 1964 moet hij aftreden wegens ziekte.
Deze partij wordt later Minsha-tō (民社党) genoemd.
Tijdens de jaren '60 had deze partij vooral aanhang in de middens van vrije beroepen en intellectuelen, omwille van hun intellectuele bijdrage tot het sociale leven en hun actieve rol aan de basis van het publieke debat.
De ‘Nieuwe Linkse’ Beweging is een anti-establishmentbeweging in oppositie tegen de reeds gevestigde linkse partijen. Namelijk de Socialistische Partij, de Japanse Conservatieve Partij en de Algemene Raad van Japanse Vakbewegingen. Deze waren volgens de Nieuwe Linkse Beweging immobiel en opportunistisch.
In 1960 sloot Kishi Nobusuke op een brutale manier het hernieuwde veiligheidsverdrag met de Verenigde Staten.
Na twee maanden treedt hij echter al af wegens ziekte.
Tijdenshet 'Regime van 1955’ (Gojuugo-nen taisei 55年体制) staan twee blokken tegenover elkaar: het conservatief blok (LDP) en het progressief blok (SP). De LDP blijft van 1955 tot 1993 ononderbroken aan de macht. Samenwerking tussen de zakenwereld, invloedrijke ambtenaren en LDP vormt de ‘ijzeren driehoek’. Deze periode wordt ook wel een tijdperk van het eenpartijbewind genoemd.
De Democratische Partij van Japan en de Liberale Partij van Japan worden samengevoegd tot de Liberaal-Democratische Partij (Jiyū-minshu-tō 自由民主党). Het belangrijkste doel is de herziening van de grondwet, voornamelijk het artikel 9 en het statuut van de keizer.
Hatoyama Ichirō (鳩山一郎) volgt Yoshida op met zijn Democratische Partij.
Hatoyama Ichirō (鳩山一郎) en zijn volgelingen scheuren zich af van de Liberale Partij, omdat de huidige eerste minister, Yoshida, niet met hen wilde samenwerken. Zij vormen de Democratische Partij van Japan.
Overwinning voor de Liberale Partij. Yoshida Shigeru blijft 5 jaar lang eerste minister. In december '54 wordt hij er echter van verdacht hoge ambtenaren te beschermen door immuniteit te verstrekken in een omkoopschandaal bij scheepswerven.
Hij zet de driepartijencoalitie verder, maar er ontstaat een corruptieschandaal waarbij meerdere kabinetsleden betrokken zijn. Ze zouden steekpenningen gekregen hebben van het chemische bedrijf Shōwa Denkō. Ashida Hitoshi stapt omwille hiervan vroeger op.
Er wordt een driepartijenkabinet gevormd met de Socialistische Partij, de Democratische Partij van Japan en de Partij voor de Samenwerking van het Volk. Er ontstaan echter spanningen door de economische crisis en Katayama stapt vroegtijdig op.
Progressieve partij van Japan (Nihon Shinpo-tō 日本進歩党) wordt omgevormd tot de Democratische Partij van Japan (Nihon Minshu-tō 日本民主党).
De socialisten komen als grote overwinnaar uit de verkiezingen.

